
Buzigahill
Bobby Kolade
Buzigahill is het circulaire modehuis van activist en designer Bobby Kolade. Vanuit de Oegandese hoofdstad Kampala wil het label de mondiale modeketen omkeren: afgedankte kleding uit het noordelijk halfrond wordt uit elkaar gehaald en op een creatieve verwerkt tot nieuwe mode-items en vervolgens teruggestuurd naar de landen van herkomst.
Elke dag worden miljoenen ongewenste kledingstukken verzameld in kringloopwinkels en inzamelbakken in het mondiale Noorden. Ruim 70% daarvan eindigt in Afrika, aldus een rapport van Oxfam. Een deel daarvan wordt verkocht op lokale markten; de rest belandt op vuilstortplaatsen, die overvol raken. Door de overvloed aan goedkope tweedehands kleding is de vraag naar Oegandees katoen in eigen land met 95 procent gedaald. Ook heeft land nauwelijks nog een eigen kledingindustrie, omdat 80% van de kledingaankopen tweedehands kleding betreft. Landen als Oeganda staan daardoor onderaan de mondiale kledingketen.
Met Return To Sender als businessmodel presenteert Buzigahill een exclusieve modecollectie gemaakt van tweedehands kleding die in Afrika is gedumpt door welvarende landen op het noordelijke werelddeel. Zo versterkt Buzigahill nieuwe vaardigheden, werkgelegenheid en lokaal ondernemerschap, zodat Oeganda een eigen kledingindustrie kan opbouwen. Mode wordt ingezet als instrument voor culturele en economische autonomie.


Translation: Jane Szita
Photography: Blickfänger
Je hebt een Nigeriaanse moeder, een Duitse vader en je groeide op in Kampala, de hoofdstad van Oeganda. Hoe heeft deze mix van culturele invloeden je gevormd?
Mijn moeder is gestorven toen ik nog jong was. Vervolgens ben ik opgegroeid in een pleeggezin, dat deels Duits en Oegandees was. Ook heb ik op verschillende kostscholen gezeten. Het was geen stabiele jeugd. Daardoor was ik al op jonge leeftijd zelfstandig en kan ik mij nog steeds snel aanpassen aan nieuwe situaties. Waar ik mij het meeste thuis voelde, was de middelbare school. Dat was een internationale school met veel aandacht voor creatieve vakken en persoonlijke ontwikkeling. De school werd mijn basis; ik deed toneel en was populair bij docenten en leerlingen. Ik kon naar deze school omdat ik ook de Duitse nationaliteit heb. Dat was de eerste keer dat ik mij bewust werd van de privileges die zoiets simpels als een paspoort kan bieden.
Was je toen al geïnteresseerd in mode?
Op school moesten we een uniform dragen. Maar op iedere iedere zaterdag presenteerde ik een tienershow op de lokale televisie. Ik wilde elke uitzending iets nieuws dragen. Op zoek naar goedkope kleding struinde ik eindeloos over Owino Market, de grootste kledingmarkt van Kampala. Het aanbod was hoofdzakelijk afgedankte kleding, die uit de welvarende landen op het noordelijk halfrond naar Afrika verscheept was.
De kledingstukken verknipte ik thuis, waarna ik ze door een lokale kledingmaker in elkaar liet zetten. Ik vertelde ze heel precies wat ze wel en niet moesten doen. Ik creëerde zo mijn eigen stijl en besefte dat je met mode je identiteit kunt uitdrukken. Maar dat je ook een opleiding kon doen als modeontwerper, dat wist ik niet.
Hoe heb je je weg gevonden in de modewereld?
Ik had mij aangemeld voor een studie Grafisch Design aan een kunstacademie in Berlijn. Al in mijn eerste jaar switchte ik naar mode. Dat voelde als… thuiskomen. Ook in Berlijn had ik meteen mijn draai gevonden. Ik ging naar salsafeesten en technoclubs, ik ging naar musea en droeg wat ik maar wilde. Toch werd de sfeer van Berlijn na een paar jaar benauwend en ik vertrok naar Parijs, om het te maken in de modewereld. Parijs, daar moest ik zijn!
Ik kon stage lopen bij Martin Margiela, een experimenteel modehuis met een kritische kijk op de mode-industrie. De filosofie was om kledingstukken te deconstrueren en vervolgens op een creatieve manier weer in elkaar te zetten. Daarna werkte ik voor Balenciaga, een klassiek modemerk met grote aandacht voor perfectie. Ik draaide mee in de top van de modewereld, maar ik zag zoveel ongelukkige mensen. De modewereld is extreem competitief en hiërarchisch. Als ik hierin gelukkig wilde worden, moest ik mijn eigen label beginnen, zodat ik nooit meer afhankelijk zou zijn van de grillen van anderen. Dus ging ik terug naar Berlijn om mijn studie af te maken.
Oeganda wordt overspoeld door westerse modestijlen. Wat blijft er nog over dat echt Oegandees is?
Hoe ben je je eigen modelabel begonnen en wat voor label was dat?
Met Bobby Kolade als merknaam ontwierp en produceerde ik exclusieve, duurzame mode gemaakt van boomschors uit Oeganda, katoen uit Ethiopië en organisch zijde uit India. De kleding bleek te duur en ik moest stoppen. Ik besloot een modecollectie te ontwerpen van Oegandees katoen.
Oeganda was in de jaren 1970 een van de grootste katoenlanden van de sub-Sahara met een productie van 78 duizend ton, waarvan 85 procent voor lokaal gebruik was. Ik wilde een samenhangende collectie van één materiaal, dat ook nog eens duurzaam is. Ik was inmiddels kritisch op de mode-industrie met vervuilende fast fashion en uitbuiting van lagelonenlanden, geïnspireerd op het Anti-Fashion Manifest van trendforecaster Lidewij Edelkoort.
Wat was je volgende stap?
Ik besefte: als ik in Berlijn kleding maak van Oegandees katoen om dat met veel winst te verkopen, dan houd ik dat onrechtvaardige systeem in stand. De creatieve en zakelijk beslissingen worden genomen in Europa; de Oegandezen mogen alleen produceren. Dus verhuisde ik terug naar Oeganda om daar een kledingcollectie van Oegandees katoen te vervaardigen.
Maar er bleken nog maar enkele katoenfabrieken over te zijn. Slechts 5 procent van de huidige katoenproductie wordt in Oeganda gebruikt. De rest wordt in ruwe vorm geëxporteerd, wat veel minder opbrengt. De katoenproductie was gekrompen tot amper tweeduizend ton. Bovendien was de kwaliteit door pesticiden en landuitputting achteruit gehold. Oeganda heeft het perfecte klimaat voor katoenverbouw en een gezonde bodem. Wat is hier aan de hand, vroeg ik mij af.”


En, wat was er aan de hand?
Door gebrek aan kennis en opleiding waren Oegandese ondernemers niet in staat om de katoenfabrieken draaiende te houden. Vervolgens werd de lokale markt overspoeld door tweedehands kleding uit westerse afvalcontainers. Inmiddels zijn vier van vijf kledingaankopen in Oeganda een tweedehands item uit landen op het noordelijk halfrond, hoofdzakelijk Europa. De lokale textielindustrie kan niet concurreren met de lage prijs van deze geïmporteerde bulkkleding. En dat is alleen nog maar de economische keerzijde van de kledingdump.
Welke negatieve impact heeft het verschepen van het westerse mode-afval nog meer?
Oeganda wordt overspoeld door westerse modestijlen. Wat blijft er nog over dat echt Oegandees is? Daarbij versterkt het verschepen van de afgedankte kleding het beeld in het mondiale Noorden dat arme Afrikanen halfnaakt rondlopen en hun kleding nodig hebben. Dit koloniale denkpatroon moet worden doorbroken.
De kleding wordt ook niet gedoneerd maar verkocht aan Afrikaanse landen. Het is een miljardenindustrie. Maar als ik een baal kleding openmaak, zie ik witte overhemden waarvan de oksels zijn doordrenkt van zweet en T-shirts met verfvlekken of scheuren. Deze kledingdictactuur van de noordelijke landen verlaagt het zelfbeeld van inwoners van Afrikaanse landen.
Wanneer besefte je dat mode een manier kan zijn om deze negatieve cirkel van mondiale ongelijkheid te doorbreken?
Ik werkte als marketingmanager voor een katoenexporteur in Kampala. Ik zag met eigen ogen dat de katoenindustrie in Oeganda langzaam verdween. En daarmee verdween ook mijn droom van een Oegandees kledingmerk van lokaal katoen. Meer en meer werd ik mij bewust van hoe onrechtvaardig het is dat grondstoffen als katoen worden onttrokken aan Afrikaanse landen. Vervolgens wordt het katoen gebruikt om tegen zeer lage kosten kleding te produceren in Zuidoost-Azië. Die kleding wordt verkocht in Europa, om uiteindelijk weer als afval te worden gedumpt in Afrika. Het is in zekere zin een voortzetting van het koloniale systeem.
Hoe kwam je op het idee om tweedehandskleding te gebruiken als basis voor nieuwe kleding?
Dat was het enige materiaal dat wél overvloedig voorradig was. En ik had bij het modehuis Martin Margiela geleerd hoe je kledingstukken uit elkaar kunt halen om er vervolgens compleet nieuwe items van te maken. Als ik deze geupcyclede kledingstukken als high fashion kon terug exporteren naar Europa, zou ik de cirkel doorbreken. De eerste collectie noemde ik Return To Sender. Dat is nog steeds het credo van ons label.
Met kledingafval bouwen wij een Afrikaanse modeindustrie op.
Waar vind je de tweedehandskleding?
Wij kopen de kleding direct op Owino Market, waar ik als tiener ook al mijn goedkope kleding kocht. Daar keuren we elk kledingstuk ter plekke. We kopen zelden complete balen, want die zijn grotendeels onbruikbaar. En ruilen kan niet. Bovendien klopt er vaak niks van de inhoudsbeschrijving. Een baal met oversized hoodies bestaat dan opeens uit kinderkleding of bevlekte truien. Vervolgens wordt de kleding eerst grondig gewassen om de mate van beschadiging beter in te schatten. Daarna wordt het gesorteerd op materiaal, maat, herkomst en mate van beschadiging in speciale spreadsheets. Dat is een traag en intensief traject.
Welke nieuwe designvaardigheden heb je moeten ontwikkelen?
In Berlijn had ik als designer vrije keuze in welke grondstoffen en materialen ik gebruikte. Nu moet kledingstukken van verschillende materialen en kwaliteit combineren. Nylon en katoen, elastisch of juist stug, dik en dun. Sommige stukken zijn bovendien nog redelijk nieuw, terwijl andere versleten zijn. Hoe maak je daar een samenhangend item van? Daarvoor heb ik eerst alle technieken die ik kende moeten afleren. Dus geen moodboards en thematische collecties meer maar meebewegen met wat voorradig is.
Je kunt aan de kleding zien hoe het is gemaakt. De nieuwe stiknaden, het materiaalverschil, de oorspronkelijke verbindingen, het is allemaal zichtbaar. Dat geeft de kleding een ambachtelijke kwaliteit. Het is heel eerlijk. Daarvoor heb ik mezelf moeten dwingen om met een frisse blik naar mode te kijken, wat bevrijdend was. De kleding van Buzigahill is uniek. Het is een explosie van creativiteit.


Wat betekent Buzigahill trouwens?
Ik wilde een Oegandese naam, die uitdrukt dat dit modemerk een heel ecosysteem vertegenwoordigt van lokale designers, makers, ondernemers en logistieke professionals. Het gemeenschapsgevoel is hier veel sterker dan in Europa. Bijna alle creatieve geesten als kunstenaars, journalisten en deejays wonen in de wijk Buzigahill, die op een heuvel ligt. Ik had de domeinnaam Buzigahill.com gekocht, zodat we allemaal hetzelfde e-mailadres konden hebben.
Toen ik begon met het maken van mode van tweedehands kleding wist ik meteen: Buzigahill wordt de naam. Het klinkt internationaal – zelfs in Japan, waar we zestien verkooppunten hebben, kunnen ze het uitspreken. Maar de naam vertegenwoordigt iets heel lokaals.
Je hebt het consequent over ‘wij’ als je over Buzigahill praat. Met wie werk je samen?
Ik heb een team van 29 medewerkers – van marketing en boekhouding tot designers en inkopers. Ik draag steeds meer over aan het team. Dat geldt in het bijzonder voor de kleermakers, die ik stap voor stap heb moeten meenemen in mijn visie. Aan het begin was ik heel strikt in hoe ik het wilde hebben. Dat wekte wrevel op. Dus heb ik moeten leren om te vertrouwen op hun vakmanschap. Ook dat was een louterende ervaring. Wat zij kunnen met dat afgedankte textiel, is onvoorstelbaar. Dat is geen teken van armoede maar van kennis en wijsheid. Wij laten ons geen minderwaardigheidscomplex meer aanpraten.
Was het moeilijk om je weer thuis te voelen in Oeganda na een jarenlang verblijf in Europa?
In Europa was ik een ambitieuze modeontwerper en nu werkte ik met kledingafval. Dat was een nederige ervaring, ik heb mijn ego opzij moeten zetten. Dat werkte uiteindelijk juist bevrijdend. Ik heb mij moeten aanpassen aan het leven in Oeganda, waar je voortdurend moet improviseren. Hoewel het runnen van een modebedrijf niet makkelijk is hier, ben ik nu op de plek waar ik wil zijn.
In 2025 presenteerde Buzigahill zich op de Berlin Fashion Week met een eigen catwalkshow. Waarom besloot je toch weer onderdeel te worden van dit traditionele modesysteem?
Als een Oegandees modemerk – dat ook nog eens werkt met geupcyclede kleding – moeten we onszelf voortdurend bewijzen. De meest efficiënte manier is meedoen aan een modeweek. Daar is de media, daar zijn de inkopers, daar is het publiek. Het is een oneerlijk systeem, dat fungeert als gatekeeper. Daar kunnen wij helaas niets aan veranderen. Vergeet niet, het heeft ons elf collecties gekost om überhaupt toegang te krijgen tot deze modeweek.
Dat klinkt als een tegenstelling: onderdeel willen zijn van een systeem, waar je tegelijkertijd afstand tot wilt bewaren. Hoe doe je dat?
Onze collecties en modeshows hebben een fundamenteel ander uitgangspunt. De Europese modemerken verzinnen een concept, waarmee collecties en shows zich van elkaar onderscheiden. Bij ons zit dat onderscheid in de technieken die steeds verfijnder worden en de materiaalkeuzes die steeds gedurfder worden. Ons concept is niet verzonnen maar echt: het vieren van de originaliteit, de creativiteit en het vakmanschap van de Oegandese mode-industrie. Op de catwalk hoor je straatgeluiden uit Kampala. Alle shows heten hetzelfde: Return To Sender. Inmiddels zijn we bij nummer 13. We doen mee, zonder onze identiteit en onze waarden op te geven.
We gebruiken tweedehands kleding om werkgelegenheid te creëren, vaardigheden te ontwikkelen en een industrie op te bouwen.
Hoe kun je Buzigahill laten groeien?
Het kost minimaal een dag om een kledingstuk te maken, en dat is nog zonder het selecteren, schoonmaken en reparaties als knopen of ritsen aanzetten. Bovendien moeten wij 30 procent importheffingen betalen bij export naar Europa. Dat maakt de kledingstukken duur en de vraag relatief beperkt. Groei zit niet in kwantiteit maar in kwaliteit.
We willen het merk uitbouwen met schoenen, handtassen en accessoires als riemen en sieraden. Ook dat wordt in grote getallen gedumpt in Oeganda. Daarnaast zijn we op zoek naar manieren om iets te doen met onze groeiende voorraad onbruikbare kledingstukken. Hoe kunnen we dat verwerken tot gerecycled textiel?
Buzigahill is feitelijk veel meer dan alleen een modemerk. Is je kijk op mode veranderd?
Mode was voor mij een creatieve uitlaatklep en een expressie van identiteit en emotie. Alles draaide om kleur, vorm en materiaal. Vervolgens gebruikte ik mode om een activistisch statement te maken, een aanklacht tegen de mondiale ongelijkheid van het modesysteem.
Inmiddels zie ik het als een positief instrument om verandering in gang te zetten. We gebruiken tweedehands kleding om werkgelegenheid te creëren, vaardigheden te ontwikkelen en een industrie op te bouwen. Ons tienjarenplan is kleine, gespecialiseerde fabrieken in heel Oeganda bouwen, niet alleen voor het hergebruik van gebruikte kleding, maar ook voor handgeweven textiel en ambachtelijke kledingproductie met Oegandees katoen. Dat model kunnen we exporteren naar andere Afrikaanse landen. Buzigahill is geen modemerk. Het is een noodzaak.

De Oegandese overheid overweegt een importstop van kleding uit het Westen. Wat zou dat betekenen voor Buzigahill?
Vooralsnog blijft het bij plannen. We hebben het hier over een miljardenindustrie, waarvan honderdduizenden mensen afhankelijk zijn. Als het een eerlijke handel in tweedehandskleding zou zijn, dan heb ik daar niks op tegen. Maar nu worden wij gedwongen om het afval van het mondiale Noorden te kopen. Deze neokoloniale uitbuiting moet stoppen. Hopelijk kan de katoenproductie in Oeganda dan weer op gang komen en kan ik alsnog mijn droom van een kledinglabel van lokaal katoen realiseren.
Onder jonge designers is een groeiend besef dat de mode-industrie duurzamer en rechtvaardiger moet worden. Wat is jouw advies aan deze nieuwe generatie om deze veranderingen te realiseren?
“Don’t stop!”


